|
Pudding Mijn vriendinnetje en ik mochten vroeger af en toe pudding koken op een miniatuurfornuis. Zij hield daarbij – zoals bij al onze aktiviteiten – de regie stevig in handen. Roeren in de kolkende massa was, hoe ik daarop ook aandrong, taboe. Haar moeder deed dat nooit en als ik het wel deed, zou ze me voortaan links laten liggen. Niet alleen dat, ze zou de hele klas verbieden nu en in de toekomst nog één woord tegen mij te spreken. Geen slechtere mensen dan meiden van tien. Zij kreeg haar zin, net als bij die andere ondernemingen, en de pudding brandde onveranderlijk aan. Soms kook ik het nog wel eens. Pudding. Uitsluitend op verzoek. En elke keer als ik in de pan sta te roeren, denk ik heel even: ‘Ik had lekker toch gelijk.’ Heel even maar.
Premiere Zijn eerste gang naar het concertgebouw. Beethoven en Bartok. Heel iets anders dan de Backstreet Boys. We zitten eerste rij balkon, en zijn voor de gelegenheid gekamde hoofd komt net boven de balustrade uit. De orkestleden die druppelsgewijs op het podium verschijnen, worden met argusogen bekeken. Als ze allemaal zitten, trekt hij een boekje uit zijn zak: ‘500 ijzersterke moppen’. “Voor als ik me verveel,” fluistert hij en legt het klaar op de rand van de balustrade. Meteen barst de ouverture los. Muzikaal genot en visioenen van keurige concertgebouwgangers die opeens vijfhonderd ijzersterke moppen op hun hoofd krijgen, strijden bij mij om voorrang. Maar alles gaat goed. Hij volgt de bewegingen van de violen, het geflits van het koper, het gezwaai van de dirigent en ziet vol verbazing hoe er opeens een soort piano uit de grond komt. Op weg naar de auto geeft hij mij een hand. “Het was prachtig,” zegt hij met zucht, “het klonk… het klonk hard en zacht tegelijk.”
|