
In het hocus-pocus-jodocus-bos
staat een huis met zeven ramen
wie zou daar wonen?
zullen we eens
stiekem gaan kijken, samen?
zachtjes sluipen we
als een muis
naar het hocus-pocus-jodocus-huis
maar ach wat jammer, we kunnen niks zien
de gordijnen zitten dicht
bij het eerste raam, het tweede, het derde
het vierde, het vijfde, het zesde ook...
alleen uit het laatste, het zevende raam
daar schijnt een beetje licht
zachtjes sluipen we
als een muis
naar het zevende raam van het grote huis
we gluren voorzichtig over de rand
o kijk, het is de keuken
op tafel staat een pak met melk en
een fluitketel vol deuken
en als je op je tenen staat
zo hoog als je maar kan
dan zie je op het aanrecht daar
een kleine koekepan
wie zit er in dat pannetje?
het pannenkoekenmannetje
hij wrijft in zijn ogen, hij kijkt om zich heen
hij heeft zeker net geslapen
heel even zit-ie lodderig en lui nog wat te gapen
dan klautert hij gauw uit zijn koekepan
om eieren te halen
en melk natuurlijk
en boter en meel
en rozijnen en stroop
en weet ik veel
hij gooit het allemaal in een kom
hij roert het met zijn vingers om
hij veegt zijn handen schoon aan zijn broek
en dan bakt hij een prachtige pannenkoek
in zijn eigen kleine pannetje
hee, pannenkoekenmannetje,
bak je er zo nog een stuk of tien
en mogen we binnenkomen misschien?

IK BEN VANNACHT ZO BANG GEWEEST...
ik ben vannacht zo bang geweest
voor dat rare beest
voor dat enge beest
ik ben vannacht zo bang geweest
dat het beest me zou gaan bijten
het zit in een hoekje op het behang
en het kijkt me maar aan
het kijkt me maar aan
elke avond is het er weer
in het donker wordt het grijs
met ogen als vlekken
dan groter en zwarter
de muur beweegt
ik hijs
de deken heel ver over mij heen
ik knijp mijn ogen dicht
maar ik ril
en ik ruik
en ik voel het beest
dat zwarte zware gewicht
als hij me bijt
dan bijt ik terug
morgen
overdag
dan grijp ik hem beet
en dan
en dan...
en dan
opeens
is het licht
ik kijk naar het hoekje op het behang
daar zit-ie
rustig en stil
hij kijkt naar mij
en ik knipoog naar hem
we kennen elkaar al zo lang

MIJN BROER Z'N FIETS....

mijn broer z'n fiets
daar ga je hard op, man!
twintig versnellingen
geen licht en geen bel
geen spatborden ook
je kent dat wel
met gestrekte benen
kun je best bij de trappers
je rug gebogen
je handen laag
je neus naar de grond
nou ja, niet voortdurend
je kijkt voor je uit
om je heen
opzij
je vliegt iedereen en alles voorbij

daar gaat een skelter!
met zo'n jochie erin
en eentje achterop
nog even kijken
een echte claxon
een race-stuur natuurlijk en...
au!
ik zit op de stoep
met naast me die fiets
van mijn broer
het voorwiel is krom
de velgen verbogen
een trapper eraf
en nou maar naar huis toe
stom!
ADÈLE

Adèle de koe
moet iedere morgen
voor zeventien liter karnemelk zorgen
vier liter voor Maartje
vijf liter voor Jan
en de rest gaat gewoon in een heel grote pan
die pan staat bij Karel van Dijk op de stoep
want Karel kookt elke dag karnemelksoep
een grote pan soep voor zeven personen
wat doet hij erin?
een half pond bonen
wel twee pakjes boter
een kilo meel
een hele ontbijtkoek
een snuifje kaneel
een blikje gehaktballen
vijftig gram zout
wat peterselie en havermout
om zes uur is de soep eindelijk klaar
de hele familie zit al klaar
ze eten elk twee-en-een-halve kop
en om kwart over zes is alles op
's avonds laat, voor het slapen gaan
kijken ze allemaal uit het raam
naar het gras aan de overkant van de straat
waar Adèle de koe te loeien staat
welterusten Adèle
't was heerlijke soep
doe je best want de pan staat alweer op de stoep
